Over Sinterklaas in de Schilderswijk van vroegâh

CONT/1/156sinterklaasa38890

Sinterklaas is in de Schilderswijk lang niet zo aanwezig als in het Statenkwartier, maar hij was er wel, ook in 2014. Dorine heeft bijzondere herinneringen aan de intocht van Sinterklaas in de Schilderswijk. Lang geleden was haar vader Sinterklaas in de Schilderswijk en reed hij op een paard door de straten daar. Hij had nog nooit op een paard gezeten, had hoogtevrees en stond doodsangsten uit.

Dorine:
Ik had geen idee dat het mijn vader was. Ik mocht achterop een soort open vrachtwagen zitten die achter Sinterklaas aan reed. Dat was heel speciaal en spannend. Ik was toen een jaar of vijf, denk ik (1955). Ik herinner me nog dat we na afloop in een zaaltje zaten en op een gegeven moment in een rij naar Sinterklaas gingen om een handje te geven. Sinterklaas is me niet zo bijgebleven, maar toen ik terug bij mijn stoel kwam, was mijn chocolade Sinterklaas weg. Tranen met tuiten huilen natuurlijk. “Eigen schuld” zei mijn moeder, “die moet je hier natuurlijk niet laten staan”. 


Mijn ouders hielpen mee in de jeugdzorg van de gereformeerde kerk. Zelf woonden we in het Bezuidenhout. De kerk organiseerde van alles in de Schilderswijk. Soms ging ik met mijn vader mee als hij een soort jeugddienst leidde op zondag in een pand aan de Prinsegracht.  


Zomers gingen mijn ouders als begeleiders mee op jeugdkamp in Stroe. Wij, de kinderen gingen dan ook mee. Iedereen genoot en mijn ouders vertelden nog jaren leuke en soms trieste verhalen over de jongens. Sommige hadden het thuis heel moeilijk of kwamen later in de gevangenis. Mijn moeder vertelde dat ze nog jaren later als ze op straat liep een stratenmaker hoorde roepen “He, Juf, hoe gaat het er mee?”.


Als ze tijdens zo’n kamp met een groep knulletjes (tussen de 9 en 12 jaar oud) ging wandelen, kwam het voor dat er een groentekar langs kwam. Dan ging mijn moeder uit voorzorg alvast aan de overkant lopen met de jongens. Maar als de groentekar voorbij was, vroegen ze triomfantelijk aan mijn moeder “wil je ook een appel, Juf”. Mijn moeder moest er altijd om lachen als ze het ons later vertelde. 


De kampen waren leuk. Ik herinner me dat vooral één jongen heel lief voor mij was. Hij werd “Rooie” genoemd. Ik was een jaar of zes en klein voor mijn leeftijd. Hij een jaar of twaalf en
juist groot. Tijdens de wandelingen mocht ik op zijn schouders zitten. Hij had een zwak voor me. Ik herinner me dat we Koninginnedag vierden in de Schilderswijk. Het was ergens in de buurt van de Hannenmanstraat. Ik weet niet waar precies. We waren de hele dag te gast bij de ouders van Rooie. Mijn ouders waren met zijn ouders bevriend. Zij gingen ook wel samen een avondje klaverjassen.


Uit het raam hangend kon je goed de spelletjes op straat volgen: zakkenlopen of rennen met een ei op een lepel. Ik durfde niet mee te doen, maar Rooie won vaak en nam me op een gegeven moment mee. Ik mocht een prijs uitzoeken.

Ik herinner me het nog goed al die cadeaus, hele rijen waren het. Het was moeilijk kiezen en ik nam mijn tijd.


“Neem toch die of die” zei Rooie en wees op poppen met kleurige tule jurken, bijna zo groot als ik zelf, in kartonnen dozen. Maar ik koos uiteindelijk tot zijn grote teleurstelling een klein zilverkleurig lantaarntje dat op batterijen echt kon branden. Ik was er heel blij mee. Het was precies wat ik wilde. Ik kon er stiekem bij lezen onder de dekens als ‘s avonds het licht uit moest. 


Mijn vader is er uiteindelijk mee opgehouden toen hij eens een hele nacht op het politiebureau had doorgebracht. Hij was met een groep jongens van een jaar of 14 naar de bioscoop gegaan en na afloop bleek dat ze allemaal hun zitting er uit hadden gesneden. “Ik wordt er nu echt te oud voor”, verzuchtte mijn vader toen. 


De jeugdhaven is er nog steeds in het pand aan de Prinsegracht 67A, maar de Stichting Jeugdwerk van nu heeft niets meer met de kerk te maken. Wel worden nog steeds allerlei  jeugdactiviteiten en jeugdkampen georganiseerd.

CONT/1/156sinterklaasa38890